ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8361
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt niet-ontvankelijkverklaring en wijst zaak terug naar rechtbank Alkmaar
Appellant was werkzaam als inpakker en viel op 4 juli 2001 uit wegens rugklachten. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), weigerde een Ziektewet-uitkering per die datum toe te kennen op grond van artikel 44 ZW Pro, omdat de arbeidsongeschiktheid reeds bestond bij aanvang van de verzekering of binnen zes maanden daarna was ingetreden.
Appellant maakte bezwaar tegen het opschortingsbesluit van 26 juli 2001, maar verwees in zijn bezwaarschrift ook impliciet naar het weigeringbesluit van 10 augustus 2001. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk omdat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen het weigeringbesluit, waardoor dit besluit in rechte vaststond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het bezwaarschrift van appellant mede gericht was tegen het besluit van 10 augustus 2001 en dat gedaagde dit bezwaarschrift mede had moeten behandelen. De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de rechtbank kan daarom niet standhouden.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug naar de rechtbank Alkmaar voor inhoudelijke behandeling. Tevens veroordeelt de Raad het Uwv in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Alkmaar.