ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8683
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vervolging in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 voor kind uit gemengd huwelijk
De Pensioen- en Uitkeringsraad heeft op 15 februari 1999 een besluit genomen waarbij betrokkene, geboren in 1939 en overleden in 1999, een periodieke uitkering werd toegekend als gelijkgestelde vervolgde op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Verweerster stelde dat betrokkene zelf geen vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de Wet had ondergaan, omdat hij als kind uit een gemengd huwelijk volgens de regels van de Duitse bezetter niet aan vrijheidsberoving werd blootgesteld.
Eisers, de erven van betrokkene, voerden aan dat betrokkene en zijn moeder in nauw gezinsverband leefden en dat het onderscheid in status tussen moeder en kind niet gerechtvaardigd was. Tevens stelden zij dat betrokkene al vroeg lichamelijke klachten had die verband hielden met de vervolgingsomstandigheden. De Raad oordeelde dat het begrip vervolging overeenkomstig de Duitse bezetterregels moet worden uitgelegd en dat kinderen uit gemengde huwelijken in beginsel niet aan vrijheidsberoving blootstonden.
De medische adviezen van twee geneeskundig adviseurs, gebaseerd op medisch onderzoek, concludeerden dat de lichamelijke klachten van betrokkene niet redelijkerwijs in verband konden worden gebracht met vervolgingsomstandigheden. De Raad vond onvoldoende aanknopingspunten om het standpunt van verweerster te betwijfelen, mede omdat betrokkene zich niet medisch had laten behandelen voor deze klachten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van de erven wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van vervolging in de zin van de Wet wordt bevestigd.