ECLI:NL:CRVB:2009:BI2183
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing gelijkstelling vervolgingsslachtoffer en erkenning burger-oorlogsslachtoffer
Appellante, geboren in 1943 als kind van een niet-joodse vader en een joodse moeder, verzocht om gelijkstelling met vervolgingsslachtoffers (WUV) en erkenning als burger-oorlogsslachtoffer (WUBO). Zij stelde dat zij leed onder de vervolgingsmaatregelen tegen haar familie, waarvan een groot deel in Auschwitz werd omgebracht.
De Raad overwoog dat het begrip vervolging volgens de regels van de Duitse bezetter moet worden uitgelegd, waarbij kinderen uit gemengde huwelijken in principe niet aan vrijheidsberoving werden blootgesteld. Appellante had geen vrijheidsberoving ondergaan en er was geen bewijs van directe vervolging. De discretionaire bevoegdheid om gelijk te stellen werd terughoudend toegepast en appellante voldeed niet aan de criteria, aangezien haar situatie niet uitzonderlijk ongunstiger was dan die van andere kinderen uit gemengde huwelijken.
Ten aanzien van de WUBO stelde de Raad vast dat appellante niet was getroffen door oorlogsgeweld zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de WUBO. Er was geen directe betrokkenheid bij krijgsverrichtingen of bijzondere oorlogsgebeurtenissen. Algemene oorlogsomstandigheden zoals voedseltekorten en vitaminetekorten werden niet als oorlogsgebeurtenissen aangemerkt.
De Raad verklaarde de beroepen ongegrond en handhaafde de besluiten van verweersters. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De beroepen van appellante worden ongegrond verklaard en de aanvragen afgewezen.