ECLI:NL:CRVB:2004:AR2300
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beslissing over terugvordering van bijstandslening aan zelfstandige op grond van het Bbz
Appellante ontving bijstand in de vorm van een renteloze lening op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). De hoogte van de bijstand werd definitief vastgesteld nadat het inkomen over het betreffende boekjaar bekend was. Gedaagde stelde vast dat appellante over 1998 een bedrag van f 2.780,84 moest terugbetalen.
De rechtbank had het eerdere besluit vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag, waarna gedaagde een nieuw besluit nam waarbij het terug te vorderen bedrag werd vastgesteld op f 2.870,84. De Raad oordeelde dat het nieuwe besluit het eerdere verving en dat appellante daardoor geen procesbelang meer had bij het hoger beroep, dat niet-ontvankelijk werd verklaard.
Ten aanzien van het nieuwe besluit overwoog de Raad dat de vaststelling van het terug te vorderen bedrag juist was, gelet op de verstrekte voorschotten en verrekeningen met de bijstand. Het beroep tegen dit besluit werd ongegrond verklaard. De Raad zag geen aanleiding tot veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het terugvorderingsbesluit ongegrond.