ECLI:NL:CRVB:2004:AR2787
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag voor kinderen verblijvende in Egypte op grond van de AKW en BEU
Appellant, woonachtig in Nederland sinds 1979 en sinds 2001 houder van een verblijfsvergunning, verzocht kinderbijslag voor zijn drie in Egypte verblijvende kinderen. De Sociale verzekeringsbank wees dit verzoek af op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de Wet beperking export uitkeringen (BEU).
De Raad overwoog dat het recht op kinderbijslag niet verder terug kan gaan dan een jaar voorafgaand aan de aanvraag en dat appellant zijn eerste aanvraag op 5 maart 2001 deed. De stelling dat appellant eerder een aanvraag had ingediend werd niet aannemelijk geacht. Verder was appellant vanaf 1 juli 1998 niet verzekerd ingevolge de AKW vanwege de Koppelingswet, waardoor hij geen aanspraak kon maken op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1999 en de eerste drie kwartalen van 2000.
Daarnaast was Egypte ten tijde van de aanvraag geen verdragsland zoals bedoeld in artikel 7b van de AKW, waardoor op grond van de BEU geen recht op kinderbijslag bestond. De Raad verwierp ook de stelling dat dit in strijd zou zijn met internationaal recht. De Centrale Raad bevestigde daarom het bestreden besluit van de rechtbank en de Sociale verzekeringsbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag voor de in Egypte verblijvende kinderen van appellant.