ECLI:NL:CRVB:2004:AR3127
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opzegtermijn van zes maanden bij ontslag wegens reorganisatie
Appellant, sinds 1966 in dienst bij C&A, werd ontslagen per 1 september 2000 wegens een reorganisatie. Hij vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV niet eerder dan 1 februari 2001 werd toegekend vanwege een opzegtermijn van zes maanden zoals bepaald in de toepasselijke CAO.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de arbeidsovereenkomst niet wegens reorganisatie, maar vanwege een verstoorde arbeidsrelatie was beëindigd, waardoor een kortere opzegtermijn van drie maanden uit het BW van toepassing zou zijn. Tevens stelde hij dat de langere CAO-termijn werknemers in zijn situatie benadeelde.
De Raad oordeelde dat de reorganisatie de primaire reden voor het ontslag was en dat de CAO-opzegtermijn van zes maanden als de geldende termijn moet worden beschouwd conform artikel 16 lid 3 WW Pro. De Raad verwierp het beroep van appellant dat de regeling onredelijk was en bevestigde het besluit van het UWV.
De uitspraak bevestigt dat bij ontslag wegens reorganisatie de langere CAO-opzegtermijn geldt, ook als er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie, en dat de eerste werkloosheidsdag dienovereenkomstig wordt vastgesteld.
Proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: De opzegtermijn van zes maanden uit de CAO bij ontslag wegens reorganisatie wordt bevestigd en de eerste werkloosheidsdag vastgesteld op 1 februari 2001.