ECLI:NL:CRVB:2004:AR3703
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurder voor onbetaalde sociale premies bij schijnconstructie met Poolse werknemers
Appellant werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaalde premies over de jaren 1994 tot en met 1996 van de Coöperatie [naam coöperatie]. Deze coöperatie had Poolse werknemers via een schijnconstructie ingezet bij Nederlandse tuinders, waarbij zij zich feitelijk als uitzendbureau gedroeg.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad bevestigde dit oordeel. Uit een uitgebreid opsporingsonderzoek en een strafvonnis bleek dat de coöperatie bewust geen loonadministratie voerde en premies niet betaalde. Appellant was penningmeester en bestuurder in de relevante periode en kon zich niet onttrekken aan zijn verantwoordelijkheid, ook al stelde hij dat hij per 1 september 1995 was ontheven.
De Raad oordeelde dat appellant nalatig was door niet te verifiëren of hij daadwerkelijk was uitgeschreven als bestuurder. De aansprakelijkheid is terecht vastgesteld omdat de premies niet zijn betaald en de financiële positie van de coöperatie geen betaling toeliet. Het beroep op civielrechtelijke bepalingen werd verworpen omdat deze niet van toepassing zijn op de aansprakelijkstelling op grond van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellant als bestuurder voor de onbetaalde sociale premies van de coöperatie.