ECLI:NL:CRVB:2003:AL8312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- A.B.J. van der Ham
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurder voor onbetaalde sociale verzekeringspremies en boete
Appellant werd als bestuurder van een vennootschap aansprakelijk gesteld voor onbetaalde sociale verzekeringspremies en een boete over de jaren 1991 en 1992. Na een looncontrole bleek dat de vennootschap geen correcte loonadministratie voerde en premies niet had betaald. Gedaagde stelde appellant hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).
Appellant voerde aan dat hij na februari 1992 geen bestuurder meer was en dat andere bestuurders ook aansprakelijk gesteld hadden moeten worden. Tevens stelde hij dat de lange periode tussen de oplegging van de correctienota's en de aansprakelijkstelling in strijd was met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de redelijke termijn uit artikel 6 EVRM Pro.
De Raad oordeelde dat appellant op grond van het Handelsregister als bestuurder moest worden beschouwd en dat hij zijn verantwoordelijkheid niet kon ontlopen door zich afzijdig te houden. De keuze om alleen appellant aansprakelijk te stellen was geen willekeur, omdat pogingen om andere bestuurders te achterhalen mislukten. Hoewel sprake was van langdurig talmen door gedaagde, was dit niet zodanig dat de aansprakelijkstelling in zijn geheel onrechtmatig was.
Wel stelde de Raad vast dat de boete over 1991, die een strafrechtelijk karakter heeft, onredelijk lang op zich liet wachten, waardoor deze boete wegens schending van artikel 6 EVRM Pro op nihil werd gesteld. De rest van de aansprakelijkstelling bleef in stand. Gedaagde werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Appellant wordt hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor onbetaalde premies, maar de boete over 1991 wordt wegens overschrijding van de redelijke termijn op nihil gesteld.