ECLI:NL:CRVB:2004:AR3720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid functies voor ziekengeld na WAO-beoordeling
Betrokkene, die na een WAO-beoordeling in 1997 geschikt werd geacht voor meerdere functies ondanks beperkingen, kreeg op 19 juli 1999 te horen dat zij geen recht meer had op ziekengeld omdat zij geschikt zou zijn voor haar arbeid. Betrokkene stelde dat haar beperkingen waren toegenomen en dat zij ongeschikt was voor de functies waarop de beoordeling was gebaseerd.
De rechtbank oordeelde dat alleen de functies die ten grondslag lagen aan de berekening van de resterende verdiencapaciteit relevant waren en verklaarde het besluit van het UWV vernietigd. Het UWV stelde in hoger beroep dat ook andere functies uit de WAO-beoordeling meewegen bij de geschiktheid.
De Raad overwoog dat arbeid in de zin van de Ziektewet de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid betreft, met uitzondering van gevallen waarin de verzekerde blijvend ongeschikt is voor het oude werk. In dat geval geldt de maatstaf van de functies uit de WAO-beoordeling. De Raad stelde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat betrokkene geschikt is voor ten minste één functie uit de WAO-beoordeling, waardoor geen recht meer op ziekengeld bestaat.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van betrokkene ongegrond. Het oordeel van de onafhankelijke deskundige werd gevolgd, en het UWV mocht het besluit handhaven dat betrokkene geen ziekengeld meer ontvangt vanaf 19 juli 1999.
Uitkomst: Het hoger beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat zij geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 19 juli 1999 wordt gehandhaafd.