ECLI:NL:CRVB:2004:AR3822
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Ch.J.G. Olde Kalter
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opschorting WAO-uitkering wegens te late ziekteaangifte door werkgever
In deze zaak gaat het om de vraag of de WAO-uitkering van een werknemer met ingang van 14 november 2000 moet worden toegekend of pas vanaf 20 maart 2001 vanwege een te late aangifte van arbeidsongeschiktheid door de werkgever. De werkgever, appellante, stelde dat zij tijdig, binnen de wettelijke termijn van dertien weken, aangifte had gedaan door het toezenden van een voorlopig reïntegratieplan op 7 februari 2000. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), ontkende dit ontvangst en stelde dat de aangifte te laat was gedaan.
De rechtbank Dordrecht oordeelde dat de werkgever onvoldoende had aangetoond dat de aangifte tijdig was gedaan, mede omdat de verzending niet per aangetekende post of met ontvangstbevestiging was geschied, waardoor het risico van niet kunnen aantonen voor rekening van de afzender komt. Hierdoor werd de WAO-uitkering pas met ingang van 20 maart 2001 toegekend, na verlenging van de loondoorbetalingsperiode met 126 dagen.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante geen nieuwe argumenten aan. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees op het onderscheid tussen de opschorting van de uitkering en het opleggen van een boete, waarbij de opschorting losstaat van eventuele boetes. De Raad zag geen reden om af te wijken van het eerdere oordeel en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De WAO-uitkering wordt pas toegekend vanaf 20 maart 2001 vanwege te late ziekteaangifte door de werkgever.