ECLI:NL:CRVB:2004:AR3829
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Ch. J.G. Olde Kalter
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit geen eerdere ingangsdatum Wajong-uitkering
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om zijn Wajong-uitkering niet eerder te laten ingaan dan een jaar voor de datum van aanvraag, 27 maart 1996. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en ook de rechtbank wees het beroep af. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep is onderzocht of er bijzondere omstandigheden zijn die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.
De Raad overweegt dat appellant geen financiële nadelen heeft ondervonden door de gekozen ingangsdatum en dat hij gedurende de periode een uitkering van de gemeentelijke sociale dienst ontving en bij zijn ouders woonde. Hierdoor is geen sprake van bijzondere hardheid die een eerdere ingangsdatum zou rechtvaardigen. Ook de door appellant aangevoerde omstandigheid dat het van belang is de juiste uitkering te ontvangen, leidt niet tot een ander oordeel.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en ziet geen reden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitkering blijft ingaan op maximaal een jaar voor de datum van aanvraag.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Wajong-uitkering niet eerder ingaat dan een jaar voor de datum van aanvraag vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden.