ECLI:NL:CRVB:2004:AR3850
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen en aangepast werk
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek na een verwonding aan zijn linkeronderarm en ontving gedeeltelijk ziekengeld. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde ziekengeld over bepaalde periodes omdat de werkgever loon moest betalen of omdat medisch onderzoek uitwees dat appellant geschikt was voor zijn werkzaamheden.
Appellant stelde in hoger beroep dat het aangepaste werk niet als zijn arbeid mocht worden aangemerkt en dat hij ook voor dat werk ongeschikt was, onderbouwd met een medisch rapport. De Raad liet zich leiden door een onafhankelijk neuroloog die concludeerde dat appellant geen reële beperkingen had voor zijn werkzaamheden.
Het rapport van de neuroloog werd gevolgd, terwijl het rapport van de door appellant ingeschakelde arts onvoldoende aanleiding gaf om daarvan af te wijken. De Raad liet in het midden welke maatstaf van arbeid geldt, omdat appellant feitelijk geschikt werd geacht voor zowel zijn oorspronkelijke als aangepaste werkzaamheden.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond, zonder toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan op 22 september 2004.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn eigen en aangepaste werkzaamheden.