ECLI:NL:CRVB:2004:AR3862
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- G.J.H. Doornewaard
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Niet toekenning WAO-uitkering wegens onduidelijkheid over volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang dienstverband
Appellant werkte vanaf 22 maart 1999 als inpakker bij een rozenkwekerij en stopte op 19 november 1999 vanwege psychische klachten. Hij vroeg een WAO-uitkering aan, die werd geweigerd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant bij aanvang van het dienstverband volledig arbeidsongeschikt was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat onvoldoende en ondubbelzinnige indicaties aanwezig zijn om volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang vast te stellen. De medische rapporten waren niet concreet toegespitst op de situatie op 22 maart 1999 en het functioneren van appellant tijdens het dienstverband was niet normaal, maar ook niet zodanig dat volledige arbeidsongeschiktheid kan worden aangenomen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beveelt dat het Uwv een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van een WAO-uitkering wordt vernietigd omdat onvoldoende vaststaat dat appellant bij aanvang van zijn werk volledig arbeidsongeschikt was.