ECLI:NL:CRVB:2004:AR3902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en onjuist woonadres
Appellant ontving vanaf 17 januari 1997 bijstand, die door het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage werd ingetrokken wegens het niet wonen op het opgegeven adres en het niet melden van werkzaamheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Raad constateert dat de intrekking van bijstand vóór 1 juli 1997 op een onjuiste wettelijke grondslag berustte, maar vernietigt het besluit slechts gedeeltelijk en laat de rechtsgevolgen in stand vanwege het extreem lage energie- en waterverbruik op het opgegeven adres, wat wijst op niet-woonachtig zijn. Tevens is vastgesteld dat appellant onmiskenbare werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden, wat de intrekking over de periode daarna rechtvaardigt.
De nieuwe aanvraag van appellant om bijstand per 25 april 2000 werd onterecht afgewezen op grond van een eerdere afwijzing, maar ook hier laat de Raad het besluit vernietigen en de rechtsgevolgen in stand omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn omstandigheden waren gewijzigd.
De Raad veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten aan appellant en bevestigt dat de intrekking en terugvordering terecht zijn, ondanks formele gebreken in de besluitvorming.
Uitkomst: De Raad vernietigt gedeeltelijk de besluiten tot intrekking en terugvordering, bevestigt een besluit en laat de rechtsgevolgen in stand.