ECLI:NL:CRVB:2004:AR3960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Abw-uitkering wegens ontbreken geldige verblijfsstatus
Appellant, van Turkse nationaliteit, diende in november 1998 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning en verzocht later om toelating op grond van de Tijdelijke regeling witte illegalen. De gemeente trok zijn Algemene bijstandswet (Abw)-uitkering in omdat hij niet over een geldige verblijfsstatus beschikte. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant op de relevante datum geen recht had op een Abw-uitkering omdat hij geen vreemdeling was in de zin van de Vreemdelingenwet en niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander. De Raad bevestigde dat de Koppelingswetgeving, die de uitkering koppelt aan een geldige verblijfsstatus, niet in strijd is met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
De Raad stelde vast dat appellant na 1 juli 1998 om bijstand heeft verzocht en niet onder de uitzonderingsregeling viel die bescherming biedt aan vreemdelingen die vóór die datum al bijstand ontvingen. Daarom is de intrekking van de uitkering rechtmatig en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de Abw-uitkering wegens het ontbreken van een geldige verblijfsstatus wordt bevestigd.