ECLI:NL:CRVB:2001:AB2276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.G. Treffers
- G.A.J. van den Hurk
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging bijstand vreemdeling wegens strijd met non-discriminatie IVBPR
Appellant, een vreemdeling met de Marokkaanse nationaliteit, diende een verzoek in voor een verblijfsvergunning vanwege verblijf bij zijn echtgenote, dat werd afgewezen omdat zij was overleden. Na diverse procedures werd de bijstandsuitkering aan appellant beëindigd op grond van de koppelingswetgeving, die de aanspraak op uitkeringen koppelt aan rechtmatig verblijf.
Appellant voerde aan dat hij zich in een gelijke positie bevond als vreemdelingen met uitstel van vertrek en dat het besluit in strijd was met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag voor burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De Raad stelde vast dat appellant niet als rechtmatig verblijf houdend kon worden aangemerkt volgens de Vreemdelingenwet en dat het onderscheid op nationaliteit gebaseerd was, wat binnen de werkingssfeer van artikel 26 IVBPR Pro valt.
De Raad oordeelde dat het onderscheid in de koppelingswetgeving gerechtvaardigd is voor vreemdelingen die na 1 juli 1998 een verblijfsvergunning aanvragen, maar niet voor degenen die onder de oude regeling reeds bijstand ontvingen. Het beëindigen van de bijstand aan appellant was daarom onrechtmatig en het besluit werd vernietigd. Tevens mocht appellant de beslissing op zijn nieuwe verblijfsaanvraag in Nederland afwachten.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering aan appellant wordt vernietigd wegens strijd met artikel 26 IVBPR en appellant mag de beslissing op zijn verblijfsaanvraag in Nederland afwachten.