ECLI:NL:CRVB:2004:AR3993
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering en vaststelling aflossingscapaciteit
Appellant ontving onverschuldigd WAO-uitkeringen over de periode van 1 januari 1991 tot 1 oktober 1994, omdat hij niet tijdig had gemeld dat hij inkomsten uit arbeid had. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), besloot het teveel betaalde bedrag van f 108.072,18 terug te vorderen en stelde de maximale aflossingscapaciteit vast.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna het UWV het bedrag aanpaste naar een lagere aflossingscapaciteit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant opnieuw dat de terugvordering onterecht was, maar de Raad oordeelde dat het bestreden besluit alleen de wijze van terugbetaling betreft en niet de terugvordering zelf, die al in 1995 was vastgesteld.
De Raad benadrukte dat appellant niet voldeed aan zijn meldingsplicht zoals voorgeschreven in artikel 80 van Pro de WAO, waardoor het UWV bevoegd was de onverschuldigde uitkeringen terug te vorderen conform artikel 57, lid 1, sub a van de WAO. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees tevens op een lopend hoger beroep tegen een ander besluit van het UWV.
De uitspraak werd op 1 oktober 2004 in het openbaar gegeven door de Centrale Raad van Beroep, waarbij de beslissing werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkeringen en handhaaft de vastgestelde aflossingscapaciteit.