ECLI:NL:CRVB:2004:AR4038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid voor premies bij inlening van Poolse werknemers via schijnconstructie
Appellante exploiteert een tuinbouwbedrijf en maakte gebruik van Poolse werknemers die via een coöperatie werden ingeleend. De Raad oordeelt dat deze constructie een schijnconstructie betreft, waarbij de coöperatie feitelijk fungeerde als uitzendbureau en de Poolse werknemers in fictieve dienstbetrekking stonden tot de coöperatie.
De Raad baseert zijn oordeel op een uitgebreid opsporingsonderzoek en eerdere strafrechtelijke uitspraken die het niet naleven van administratieve verplichtingen door de coöperatie bevestigen. De premieschuld van de coöperatie ontstond al ten tijde van de loonbetalingen en is niet voldaan, waardoor appellante als inlener hoofdelijk aansprakelijk is gesteld.
Appellante voerde aan dat de berekening van de premies onduidelijk was en dat zij niet aansprakelijk kon worden gesteld, maar de Raad verwierp deze grieven. De Raad acht het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en bevestigt dat appellante onvoldoende bewijs leverde dat er geen inlening was.
De aansprakelijkstelling is gebaseerd op artikel 16a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de jurisprudentie van de Raad. De Raad bevestigt het bestreden besluit en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aansprakelijkheid van appellante voor de premies en verklaart het beroep ongegrond.