ECLI:NL:CRVB:2004:AR4050
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van recht op toeslag op loondervingsuitkering en geschil over uitbetaling
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 januari 2001 waarbij zijn toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) met ingang van 21 september 1994 werd beëindigd. De rechtbank Utrecht vernietigde dit besluit en gaf appellant gelijk dat hij tot 17 maart 1997 recht had op toeslag. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), stelde dat appellant vanaf die datum geen recht meer had op toeslag omdat hij toen een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de toeslag vanaf september 1994 feitelijk niet is uitbetaald en dat hij aanspraak maakt op wettelijke rente, belastingschade en vergoeding van juridische kosten. De Raad stelt echter vast dat de daadwerkelijke uitbetaling van de toeslag buiten de reikwijdte van het bestreden besluit valt en dus geen onderdeel van het geschil is. De besluiten van 13 juni 2002 en 9 mei 2003, waarin de toeslag en nabetaling vanaf 17 maart 1997 zijn toegekend, worden door appellant niet bestreden.
De Raad concludeert dat de grieven van appellant niet tot het gewenste resultaat kunnen leiden en verklaart het hoger beroep ongegrond. Tevens wijst de Raad het verzoek om schadevergoeding af omdat de gestelde kosten niet binnen het toepasselijke proceskostenbesluit vallen. De Raad bevestigt het eerdere besluit en wijst het beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.