ECLI:NL:CRVB:2004:AR4205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- G.J.H. Doornewaard
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAZ-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant diende een aanvraag in voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens posttraumatische spanningsklachten na een vechtpartij in 1998. Aanvankelijk werd een uitkering toegekend op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80%. Later verlaagde gedaagde de uitkering naar 25-35% vanwege een herbeoordeling van de resterende verdiencapaciteit.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de vaststelling van het maatmaninkomen onjuist was en dat de selectie van functies met asterisken en de keuze van de functies inpakker en eindcontroleur onterecht was. De Raad oordeelde dat het maatmaninkomen terecht was vastgesteld op het wettelijk minimumloon en dat de gekozen maatman passend was. Tevens werd geoordeeld dat de selectie van functies met asterisken niet leidde tot een ontoelaatbare relativering van de belastbaarheid.
De Raad vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de geselecteerde functies niet passend waren en bevestigde dat de resterende verdiencapaciteit hoger is dan het maatmaninkomen, waarbij rekening is gehouden met een maximale arbeidsduur van 40 uur per week. De verlaging van de uitkering werd daarmee bevestigd. De Raad zag geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.
Uitkomst: De verlaging van de WAZ-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25-35% wordt bevestigd.