ECLI:NL:CRVB:2004:AR4476

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4328 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij bijzondere bijstand

Appellante heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor kosten van woninginrichting in verband met verhuizing naar een verzorgingstehuis. De gemeente wees de aanvraag aanvankelijk af met het argument dat zij een lening kon aanvragen of de kosten uit haar vermogen kon voldoen. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, waarna de gemeente een nieuw besluit nam waarbij bijstand werd verleend in de vorm van een gift.

Appellante stelde hoger beroep in tegen dit besluit, maar verscheen niet bij de zitting. De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat appellante geen procesbelang had bij het hoger beroep, mede omdat de gemeente inmiddels volledig tegemoet was gekomen aan haar verzoek door de bijstand toe te kennen.

Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De Raad zag geen aanleiding om appellante in de proceskosten te veroordelen. Hiermee is de kwestie definitief beslecht en is de verleende bijstand in de vorm van een gift van f 5.267,60 onherroepelijk geworden.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/4328 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.
I.ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2002, reg.nr. 01/4359 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 september 2004, waar appellante niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante, geboren in 1911, heeft op 6 december 1999 verzocht om bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten die zij moet maken in verband met haar verhuizing naar een appartement in een verzorgingstehuis. Bij besluit van 22 februari 2000 heeft gedaagde deze aanvraag wat betreft de kosten van stoffering afgewezen op de grond dat appellante een lening kan aanvragen bij Crediam.
Bij besluit van 8 september 2000, voorzover van belang, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2000 ongegrond verklaard op de grond dat appellante de kosten van woninginrichting kan voldoen uit het vermogen waarover zij ten tijde van de aanvraag beschikte, te weten een bedrag van f 9.691,80.
Bij uitspraak van 11 juni 2001 heeft de rechtbank - met bepaling omtrent het griffierecht - het beroep tegen het besluit van 8 september 2000 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde bij de beoordeling van de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand in de kosten van woninginrichting ten onrechte rekening heeft gehouden met het bescheiden vermogen van appellante, dat deze aanvraag ten onrechte op die grond is afgewezen en dat het bestreden besluit in strijd is met de wet.
Bij uitspraak van 11 september 2001 heeft de president van de Raad de uitspraak van 11 juni 2001 bevestigd.
Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van
22 februari 2000 deels gegrond verklaard en dit besluit herzien in die zin dat aan appellante bijstand wordt verleend voor de kosten van woninginrichting tot een bedrag van f 5.267,60 in de vorm van een geldlening.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepaling omtrent het griffierecht - het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2001 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde in strijd met het door hem gehanteerde beleid zonder nadere motivering aan appellante de onderhavige bijstand in de vorm van een geldlening heeft verleend.
Bij besluit van 6 augustus 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2000 gegrond verklaard en het besluit van 30 oktober 2001 herzien in die zin dat aan appellante bijstand wordt verleend voor de kosten van woninginrichting tot een bedrag van f 5.267,60 in de vorm van een gift.
Gelet hierop en op de door appellante gegeven reactie op dit gewijzigde standpunt is de Raad van oordeel dat gedaagde volledig tegemoet is gekomen aan het hoger beroep.
Hierbij merkt de Raad nog op dat de grieven van appellante met name nog zien op zaken, die geen onderdeel uitmaken van het in geding zijnde besluit.
Nu de Raad niet is gebleken dat appellante een procesbelang heeft bij de beslissing omtrent het hoger beroep, wordt appellante in haar hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2004.
(get.) A.B.J. van der Ham
(get.) I.D. Veldman
FB/20/9
JK5104