AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Weigering WW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsurenverlies niet onrechtmatig
De zaak betreft een geschil over de weigering van een WW-uitkering aan gedaagde, gebaseerd op het standpunt dat hij niet voldeed aan de voorwaarde van minimaal vijf verloren werkuren per week of minstens de helft van zijn vroegere werkuren. Appellant, het UWV, handhaafde het besluit dat gedaagde vanaf 24 april 2000 geen recht had op WW-uitkering. De rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering.
In hoger beroep stelt de Centrale Raad van Beroep vast dat het besluit van het UWV juist was gebaseerd op het ontbreken van relevant arbeidsurenverlies per 24 april 2000. De Raad oordeelt dat het niet nodig was om te onderzoeken of op een latere datum het recht op WW-uitkering zou kunnen herleven, aangezien gedaagde dit niet betwistte.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een geschil. De beslissingen over griffierecht en proceskosten blijven in stand. Tevens verwijst de Raad naar eerdere jurisprudentie over de berekening van vrij te laten uren bij meerdere dienstverbanden.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WW-uitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van relevant arbeidsurenverlies.
Uitspraak
02/2808 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 28 maart 2002, nr. AWB 01/3616 WW, tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 september 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Visch, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde is verschenen bij gemachtigde
mr. G.F. Kortooms, werkzaam bij de Koninklijke Nederlandse Toonkunstenaars-Vereniging te Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in het geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Bij het thans bestreden besluit van 27 september 2001 heeft appellant onder meer het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van appellant van 12 juni 2001 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. Bij dat besluit was aan gedaagde meegedeeld dat gedaagde met ingang van 24 april 2000 geen recht had op een uitkering ingevolge de WW. Appellant heeft het bestreden besluit, zoals toegelicht bij het verweerschrift van 29 november 2001, gebaseerd op de overweging dat gedaagde niet voldoet aan de voorwaarde dat hij minstens vijf werkuren per week óf minstens de helft van zijn vroegere aantal werkuren per week heeft verloren.
De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd omdat zij de motivering van dat besluit niet deugdelijk achtte. Naar haar oordeel heeft appellant onvoldoende inzichtelijk gemaakt op grond waarvan geen sprake zou zijn van een relevant urenverlies en daarmee van herleving van de uitkering ingevolge de WW, met ingang van 24 april 2000.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en daarbij wederom betoogd dat er met ingang van 24 april 2000 geen sprake is van een relevant urenverlies.
Ter zitting van de Raad is namens gedaagde gesteld dat het standpunt van appellant dat met ingang van 24 april 2000 geen sprake is van een relevant urenverlies juist is te achten, maar dat appellant bij het bestreden besluit niet had mogen volstaan met het beoordelen van de situatie met ingang van 24 april 2000 maar tevens had dienen te bezien of niet op een latere datum het recht op WW is herleefd.
In het kader van een bezwaarschriftprocedure ter zake van een ander besluit over de uitvoering van de WW heeft appellant gedaagdes stelling dat hij vanaf 24 april 2000 weer werkloos was, opgevat als een verzoek om herleving van diens WW-recht met ingang van die datum. In dat kader heeft gedaagde gegevens overgelegd en heeft diens werkgever de hem ter invulling toegezonden verklaringen ingevuld.
Gelet op artikel 22, eerste lid, van de WW en op het gegeven dat de eventuele herleving van het WW-recht van gedaagde betrekking heeft op de datum 24 april 2000, alsmede op het feit dat gedaagde de juistheid van de vaststelling van appellant bij het bestreden besluit, dat gedaagde op die datum geen relevant arbeidsurenverlies heeft geleden, niet betwist, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Nu het ging om de datum 24 april 2000 ziet de Raad geen grond om zich te stellen achter het betoog van gedaagde dat appellant tevens had dienen te bezien of op een later moment sprake was van een zodanig arbeidsurenverlies dat wél sprake was van een herleving van het recht op WW.
De aangevallen uitspraak dient, gelet op het bovenstaande, te worden vernietigd, en, doende wat de rechtbank had behoren te doen, dient het beroep tegen het bestreden besluit, wegens het ontbreken van een geschil over dat besluit, niet-ontvankelijk te worden verklaard.
In verband met de omstandigheid dat eerst bij het verweerschrift in eerste aanleg duidelijkheid is verstrekt over de grondslag van het bestreden besluit acht de Raad termen aanwezig de beslissingen van de rechtbank over het griffierecht en de proceskosten in stand te laten.
Gelet op het verhandelde ter zitting verwijst de Raad, voor dit geding ten overvloede, voor de beantwoording van de vraag hoe in een situatie met verschillende werkgevers dient te worden omgegaan met de zogenoemde vrij te laten uren, naar zijn uitspraak van 23 juli 2003, 00/38 WW en 02/5152 WW (bijgevoegd). In die zaak deed zich ook de situatie voor dat sprake was van meerdere dienstverbanden naast elkaar en van een variatie per dienstverband in het aantal gewerkte uren per week. In die zaak heeft appellant zich uiteindelijk gesteld achter de door de betrokkene voorgestane wijze van omgaan met de vrij te laten uren, in die zin dat eerst het aantal in een week gewerkte uren dient te worden vastgesteld en dat het verkregen totaal vervolgens dient te worden afgezet tegen dat aantal vrij te laten uren.
De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten;
Verklaart het inleidend beroep alsnog niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004.