Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR4811

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4463 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
WerkloosheidswetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin werd bevestigd dat zijn WW-uitkering met ingang van 17 juni 2002 gedurende 16 weken met 20% werd verlaagd. Deze verlaging was gebaseerd op het oordeel dat appellant in de periode van 3 tot en met 16 juni 2002 onvoldoende had geprobeerd passende arbeid te verkrijgen.

De Raad toetste het besluit van 4 december 2002 en onderschreef de eerdere bevindingen van de rechtbank. Het enkele contact opnemen met relaties en het inzien van kranten en tijdschriften werden niet als voldoende sollicitatie-inspanningen beschouwd. Verder benadrukte de Raad dat ook personen die werkzaamheden in de zelfstandige beroepsuitoefening verwachten, niet zijn ontslagen van hun sollicitatieverplichtingen.

De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de eerdere uitspraak en zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De verlaging van de WW-uitkering blijft derhalve gehandhaafd.

Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 20% gedurende 16 weken wordt bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4463 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 28 juli 2003, nr. AWB 02/5353 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nadere reactie ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 15 september 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.A.L. Nieuwenhuis, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt voor zijn beoordeling van het voorliggende geschil.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit van 4 december 2002 terecht en op goede gronden het besluit van 27 juni 2002 heeft gehandhaafd, bij welk besluit appellants WW-uitkering met ingang van 17 juni 2002 gedurende 16 weken met 20% is verlaagd op grond van de overweging dat appellant in de periode van 3 juni 2002 tot en met 16 juni 2002 in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen eerder is aangevoerd geen nieuwe gezichtspunten terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven. De Raad voegt hier nog aan toe dat voor de Raad vaststaat dat appellant geen concrete pogingen heeft ondernomen om passende arbeid te verkrijgen. Het contact opnemen met relaties en het inzien van kranten en tijdschriften kunnen niet als zodanig worden gekwalificeerd. De Raad merkt nog op dat degene die werkzaamheden in de zelfstandige uitoefening van een beroep in het vooruitzicht heeft en aanspraak maakt op een WW-uitkering niet ontslagen is van zijn sollicitatieverplichtingen. Dat voor appellant geen passend werk te vinden zou zijn, al dan niet in de vorm van opvularbeid, is de Raad tenslotte niet gebleken.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) M.D.F. de Moor.