ECLI:NL:CRVB:2004:AR4890
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant voerde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond die het beroep ongegrond verklaarde tegen de terugvordering van bijstandsuitkering door het College van burgemeester en wethouders van Weert. De uitkering was toegekend aan betrokkene, die volgens onderzoek een gezamenlijke huishouding voerde met appellant zonder dit te melden.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 84 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw) de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd mogen worden van de persoon met wie de middelen gedeeld werden. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij onkundig was van de bijstandsverlening aan betrokkene, aangezien hij wist van de uitkering en het belang van samenwoning.
Het verweer dat de terugvordering door te lang stilzitten geheel of gedeeltelijk moest worden ontzegd, werd verworpen vanwege de wettelijke vervaltermijn van vijf jaar. Ook de vrijspraak in een strafrechtelijke procedure wegens opzetheling deed niet af aan de bestuursrechtelijke terugvordering.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstandskosten wordt bevestigd.