ECLI:NL:CRVB:2004:AR4998
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing AAW-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht om een AAW-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid vanaf 29 november 1996. Na medisch en arbeidskundig onderzoek werd vastgesteld dat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt was, waardoor de uitkering werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep handhaaft de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De Raad liet een aanvullend psychiatrisch onderzoek verrichten, waaruit bleek dat appellante leed aan een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, die reeds preëxistent was. De deskundige concludeerde dat appellante in staat was om diverse functies te vervullen, met uitzondering van functies met machinelawaai. Dit rapport werd als beslissend beschouwd en niet betwist door appellante.
Gezien het resterende aantal geschikte functies en de zorgvuldigheid van het onderzoek concludeerde de Raad dat appellante terecht niet als arbeidsongeschikt werd aangemerkt. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de AAW-uitkering geweigerd.
Uitkomst: De afwijzing van de AAW-uitkering wordt bevestigd omdat appellante minder dan 25% arbeidsongeschikt is.