ECLI:NL:CRVB:2004:AR5224
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WW-uitkering en terugvordering wegens niet gemelde hennepplantage
Appellant ontving van 5 augustus tot 12 oktober 1998 een WW-uitkering. Deze werd met terugwerkende kracht beëindigd omdat appellant vanaf oktober 1998 volledig als zelfstandige werkzaam was. Een politieonderzoek leidde tot de ontdekking dat appellant tussen januari 1997 en oktober 1999 een hennepplantage beheerde, ook tijdens de periode van de uitkering.
De opsporingsdienst concludeerde dat appellant niet of niet volledig had gemeld dat hij werkzaamheden verrichtte, wat leidde tot het besluit de uitkering over de genoemde periode te beëindigen en de onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen. Appellant stelde dat hij pas in januari 1999 met de plantage was begonnen, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De rechtbank verwierp het beroep van appellant en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. Er waren geen gronden voor een proceskostenveroordeling. Het geschil werd beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet zoals die destijds gold.
Uitkomst: Beëindiging WW-uitkering met terugwerkende kracht en terugvordering onverschuldigde betalingen bevestigd.