ECLI:NL:CRVB:2004:AR5296
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens griffierecht in WAO-zaken
Appellant, voormalig in Nederland woonachtig en arbeidsongeschikt, keerde in 1979 terug naar Marokko en ontving sindsdien WAO-uitkeringen. Na een herbeoordeling in het kader van de Wet TBA stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de uitkering bij besluit van 16 mei 2002 vast op een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant maakte bezwaar, dat bij besluit van 23 september 2002 ongegrond werd verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk wegens het niet betalen van het griffierecht. Appellant stelde in hoger beroep dat hij het griffierecht op 22 november 2002 per post had betaald en dat hij daarna meerdere pogingen had ondernomen om de ontvangst te verifiëren. De Raad nam kennis van bewijsstukken, waaronder een betalingsbon en correspondentie, waaruit bleek dat appellant een poging had gedaan het griffierecht te voldoen.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard, omdat appellant aannemelijk had gemaakt dat hij buiten zijn schuld het griffierecht niet betaald had kunnen krijgen. De zaak werd terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam om appellant alsnog in de gelegenheid te stellen het griffierecht te voldoen. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde recht in hoger beroep.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet-betaling van griffierecht wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam.