ECLI:NL:CRVB:2004:AR5504
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor werk door opleiding
Appellant had een WW-uitkering aangevraagd naar aanleiding van werkloosheid per 17 december 2000. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), beëindigde het recht op WW-uitkering per 23 april 2001 omdat appellant niet meer beschikbaar zou zijn voor werk vanwege het volgen van een opleiding tot beveiligingsbeambte (ABM).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad beoordeelde het geschil aan de hand van de Werkloosheidswet zoals die destijds gold en concludeerde dat appellant door het volgen van de opleiding niet langer beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.
De Raad vond geen nieuwe gezichtspunten in het hoger beroep en onderschreef het oordeel van de rechtbank. Ook het beroep van appellant op nationaal en internationaal recht was onvoldoende onderbouwd om tot een ander oordeel te komen. De beëindiging van het recht op WW-uitkering werd daarom bevestigd.
Uitkomst: De beëindiging van het recht op WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid door het volgen van een opleiding wordt bevestigd.