ECLI:NL:CRVB:2004:AR5504

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4985 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWerkloosheidswetArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging recht op WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor werk door opleiding

Appellant had een WW-uitkering aangevraagd naar aanleiding van werkloosheid per 17 december 2000. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), beëindigde het recht op WW-uitkering per 23 april 2001 omdat appellant niet meer beschikbaar zou zijn voor werk vanwege het volgen van een opleiding tot beveiligingsbeambte (ABM).

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad beoordeelde het geschil aan de hand van de Werkloosheidswet zoals die destijds gold en concludeerde dat appellant door het volgen van de opleiding niet langer beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.

De Raad vond geen nieuwe gezichtspunten in het hoger beroep en onderschreef het oordeel van de rechtbank. Ook het beroep van appellant op nationaal en internationaal recht was onvoldoende onderbouwd om tot een ander oordeel te komen. De beëindiging van het recht op WW-uitkering werd daarom bevestigd.

Uitkomst: De beëindiging van het recht op WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid door het volgen van een opleiding wordt bevestigd.

Uitspraak

02/4985 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. J.J. Spruijt te Lelystad, curator van appellant, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht op 20 augustus 2002, nr. SBR 01/1784, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 22 september 2004 waar partijen niet zijn verschenen, naar zij van tevoren hadden bericht.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellant heeft op 29 december 2000 bij het Centrum voor Werk en Inkomen te Amersfoort een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de WW naar aanleiding van zijn op 17 december 2000 ingetreden werkloosheid.
Bij besluit van 6 februari 2001 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat hij met ingang van 18 december 2000 recht heeft op een loongerelateerde en aansluitend op een vervolguitkering ingevolge de WW, gebaseerd op een gemiddeld arbeidspatroon van 32,47 uur per week.
Op het werkbriefje, gedateerd 18 april 2001, heeft appellant aangegeven dat hij met ingang van 23 april 2001 een dagopleiding beveiligingsbeambte (ABM) start, welke opleiding vijf weken duurt.
Op het werkbriefje, gedateerd 14 mei 2001, heeft appellant aangegeven dat hij in de periode van 16 april 2001 tot 13 mei 2001 niet staat geregistreerd als werkzoekende en geen sollicitatieactiviteiten heeft verricht in verband met de opleiding tot beveiligingsbeambte.
Bij besluit van 17 mei 2001 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat hij vanaf 23 april 2001 geen recht meer heeft op uitkering ingevolge de WW omdat hij niet meer beschikbaar is voor werk in verband met het volgen van de opleiding ABM via Randon.
Bij het bestreden besluit van 17 augustus 2001 heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd en het bezwaar tegen het besluit van 17 mei 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep bestrijdt appellant het oordeel van de rechtbank
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de door gedaagde bij het bestreden besluit gehandhaafde beëindiging van het recht op WW-uitkering op de grond dat appellant niet meer beschikbaar is voor werk, in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank en op gelijke gronden als door de rechtbank gebezigd, bevestigend. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat nationaal geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven.
Ook de Raad is van oordeel dat appellant, gelet op de gedingstukken, vanaf 23 april 2001 door het volgen van zijn opleiding niet langer beschikbaar is geweest om arbeid op de arbeidsmarkt te aanvaarden.
Appellants niet onderbouwde beroep op nationaal en internationaal recht kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve moet als volgt worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2004.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) J.P. Grauss.