ECLI:NL:CRVB:2004:AR5542
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op WW-uitkering na bereiken maximale uitkeringsduur
In deze zaak staat de beëindiging van het recht op een WW-uitkering centraal vanwege het bereiken van de maximale uitkeringsduur. Appellant was het niet eens met het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om de uitkering te beëindigen per 8 februari 2002. Na bezwaar handhaafde het Uwv dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad heeft de feiten overgenomen zoals vastgesteld door de rechtbank en concludeert dat appellant geen nieuwe argumenten heeft ingebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden. Tevens is niet gebleken dat het Uwv toezeggingen heeft gedaan om de WW-uitkering voort te zetten gedurende een opleiding na het bereiken van de maximale uitkeringsduur.
Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad ziet geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dat in uitzonderlijke gevallen tot schorsing van het bestuursbesluit kan leiden.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 november 2004.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WW-uitkering wegens het bereiken van de maximale uitkeringsduur.