ECLI:NL:CRVB:2004:AR5542

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5289 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWerkloosheidswet (WW)Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging recht op WW-uitkering na bereiken maximale uitkeringsduur

In deze zaak staat de beëindiging van het recht op een WW-uitkering centraal vanwege het bereiken van de maximale uitkeringsduur. Appellant was het niet eens met het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om de uitkering te beëindigen per 8 februari 2002. Na bezwaar handhaafde het Uwv dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad heeft de feiten overgenomen zoals vastgesteld door de rechtbank en concludeert dat appellant geen nieuwe argumenten heeft ingebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden. Tevens is niet gebleken dat het Uwv toezeggingen heeft gedaan om de WW-uitkering voort te zetten gedurende een opleiding na het bereiken van de maximale uitkeringsduur.

Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad ziet geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dat in uitzonderlijke gevallen tot schorsing van het bestuursbesluit kan leiden.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 november 2004.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WW-uitkering wegens het bereiken van de maximale uitkeringsduur.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/5289 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. R.H.M.Ch. Libotte, advocaat te Maastricht, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 16 september 2002, reg. nr. AWB 02/1090 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 29 september 2004, waar voor appellant is verschenen mr. E.A.J. Eussen, kantoorgenoot van mr. Libotte voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B. Drossaert, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt voor zijn beoordeling van het voorliggende geschil. De Raad volstaat met het volgende.
Bij besluit van 14 maart 2002 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat hij met ingang van 8 februari 2002 geen recht meer heeft op een WW-uitkering omdat de maximale uitkeringsduur bereikt is. Dit besluit is door gedaagde, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 26 juni 2002.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De Raad overweegt het volgende.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen eerder is aangevoerd geen nieuwe gezichtspunten terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven. De Raad voegt hier nog aan toe dat de Raad niet gebleken is van toezeggingen van gedaagde dat na het beëindigen van het recht op uitkering vanwege het bereiken van de maximale uitkeringsduur, appellants WW-uitkering voor de duur van zijn opleiding zou worden voortgezet.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2004.
(get.) H.G. Rottier
(get.) M.D.F. de Moor