ECLI:NL:CRVB:2004:AR5588
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens ontbreken woonplaats in bijstandsgemeente
Appellante ontving tot 1 september 2000 bijstand als alleenstaande ouder van de gemeente Rucphen. Na een nieuwe aanvraag op 4 oktober 2000 stelde zij te wonen bij haar grootouders in de gemeente Rucphen. Een onderzoek van de afdeling fraudebestrijding wees echter uit dat zij feitelijk verbleef bij haar ouders in een andere gemeente gedurende de periode 4 oktober tot en met 7 december 2000.
De gemeente Rucphen wees de aanvraag over deze periode af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellante in hoger beroep ging. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de woonplaatsbeoordeling op basis van feitelijke omstandigheden moet plaatsvinden en dat appellante haar woonplaats in de gemeente Rucphen had opgegeven.
De Raad concludeerde dat appellante haar woonplaats feitelijk had verplaatst naar de andere gemeente, gelet op verklaringen, observaties, bankgegevens en huisbezoeken. Haar intentie om terug te keren naar Rucphen was onvoldoende om de woonplaats te behouden. De eerdere verklaring van appellante was betrouwbaar en zonder druk afgelegd. De Raad bevestigde daarom het besluit dat zij geen recht had op bijstand over de betwiste periode.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht had op bijstand omdat zij in de relevante periode niet langer woonplaats had in de gemeente Rucphen.