ECLI:NL:CRVB:2004:AR5616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag bijstandsverlening met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante verzocht bijstand met terugwerkende kracht over de periode van 16 augustus 1994 tot 25 maart 1995. Gedaagde, het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, wees dit verzoek af omdat appellante niet woonachtig was in de gemeente gedurende die periode. Het bezwaar werd eveneens ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit besluit.
In hoger beroep stelt appellante dat er bijzondere omstandigheden zijn die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De Raad overweegt dat op grond van artikel 67, eerste lid, van de Algemene bijstandswet bijstand op aanvraag wordt verleend en dat terugwerkende kracht slechts mogelijk is bij bijzondere omstandigheden. Uit de stukken blijkt niet dat appellante al in 1994 een aanvraag heeft ingediend of dat zij gehandicapt was om dit te doen. Ook medische gegevens bieden onvoldoende grondslag voor een psychische belemmering.
De Raad merkt op dat het feit dat andere gemeenten met terugwerkende kracht uitkering hebben verstrekt, geen bijzondere omstandigheid vormt voor de gemeente ’s-Gravenhage. De Raad bevestigt daarom het besluit van gedaagde en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot bijstandsverlening met terugwerkende kracht wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.