ECLI:NL:CRVB:2004:AR5647
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering en afwijzing bijzondere bijstand tijdens detentie
Appellant ontving vanaf 10 maart 1999 een bijstandsuitkering volgens de Algemene bijstandswet (Abw). Vanaf 8 oktober 1999 was appellant in voorlopige hechtenis, waarna de bijstandsuitkering per die datum werd beëindigd. Appellant werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en verbleef vervolgens tot 26 maart 2001 in detentie in België.
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de huurkosten van zijn woning gedurende zijn detentieperiode. Deze aanvraag werd door het College van burgemeester en wethouders van Woensdrecht afgewezen, mede op grond van het beleid dat bijzondere bijstand bij detentie slechts wordt verstrekt indien de detentie niet langer dan één jaar duurt en alleen voor huurkosten, niet voor overige vaste lasten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het beleid van gedaagde in strijd is met artikel 11, eerste lid, van de Abw, omdat burgemeester en wethouders alleen bij acute noodsituaties bevoegd zijn om bijstand te verlenen aan personen zonder recht op bijstand. In dit geval is geen acute noodsituatie vastgesteld, mede omdat appellant alleenstaand is. De Raad bevestigt daarom het besluit tot afwijzing van de bijzondere bijstand en ziet geen reden voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De bijstandsuitkering wordt beëindigd en de aanvraag voor bijzondere bijstand voor huurkosten tijdens detentie wordt afgewezen wegens het ontbreken van een acute noodsituatie.