ECLI:NL:CRVB:2004:AR5685

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/6126 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellante verzocht om een WAO-uitkering, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze toe te kennen omdat zij op de peildatum minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het besluit gehandhaafd. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd het standpunt van het Uwv bevestigd dat appellante geschikt was voor drie geselecteerde functies, resulterend in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.

De Raad vond de werkzaamheden passend bij de belastbaarheid van appellante en zag geen aanleiding om een medisch deskundige te raadplegen. Hoewel twee van de vijf functies werden geschrapt wegens ervaringseisen, bleef het oordeel ongewijzigd. De Raad benadrukte dat alleen de situatie op 6 september 2000 werd beoordeeld, en dat een latere verslechtering van de gezondheid in dit geding niet kon worden meegewogen.

De uitspraak bevestigt het eerdere besluit en adviseert appellante om bij verslechtering van haar gezondheid de beoordeling opnieuw aan het Uwv voor te leggen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante op 6 september 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt was en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

02/6126 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 2 november 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder de overweging dat zij na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken met ingang van 6 september 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 7 augustus 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank ‘s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 8 oktober 2002, reg. nr. AWB 01/3214 WAO, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 september 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker voornoemd en door L. Öz als tolk, en waar namens gedaagde is verschenen G.M. Folkers, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 6 september 2000, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste lonen met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde in een verlies aan verdiencapaciteit dat minder is dan 15%.
In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Gedaagde heeft bij brief met bijlage van 11 maart 2003 aan de Raad medegedeeld dat twee van de vijf aan appellante voorgehouden functies niet gehandhaafd kunnen blijven in verband met de ervaringseisen. Op grond van de drie overgebleven functies is appellante ongewijzigd voor minder dan 15% arbeidsongeschikt, zodat het bestreden besluit in stand kan blijven.
De Raad deelt die visie van gedaagde. Naar het oordeel van de Raad zijn de werkzaamheden in de drie resterende functies voor appellante passend te achten. De Raad ziet, evenmin als de rechtbank, aanleiding om een medisch deskundige in te schakelen.
Desgevraagd heeft gedaagdes gemachtigde ter zitting van de Raad nog een toelichting gegeven op een bij de functie coupeuse aangegeven markering. De Raad is van oordeel dat ook die functie in overeenstemming is met de voor appellante geldende belastbaarheid.
Naar aanleiding van hetgeen ter zitting van de Raad is aangevoerd over de huidige slechte gezondheidstoestand van appellante merkt de Raad op dat in dit geding slechts wordt geoordeeld over de mate van arbeidsongeschiktheid op 6 september 2000. Met een verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden.
Desgevraagd heeft mr. Manspeaker voornoemd bevestigd dat de gezondheidstoestand van appellante na 6 september 2000 achteruit is gegaan. De Raad geeft appellante in overweging om zich tot gedaagde te wenden met het verzoek de mate van haar arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen zodat als volgt moet worden beslist.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2004.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
MR