ECLI:NL:CRVB:2004:AR5841
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorts
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering en weigering ZW-uitkering op grond van arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als plaatwerker, viel uit met rugklachten en kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering toegekend. Na bezwaar werd de WAO-uitkering per 9 september 1999 verlaagd naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Appellant betwistte deze verlaging mede op basis van een psychiatrisch rapport van 2002, maar de Raad oordeelde dat dit rapport niet relevant was voor de situatie op de datum van de verlaging.
De Raad stelde vast dat de bezwaarverzekeringsarts zijn oordeel baseerde op eigen onderzoek en beschikbare medische gegevens en dat de arbeidskundige functies waarop de beoordeling was gebaseerd voldoende waren gemotiveerd. De functies waren geen nieuwe functies, maar waren eerder als voorbeeldfuncties gebruikt.
Ten aanzien van de ZW-uitkering oordeelde de Raad dat de maatstaf arbeid die door gedaagde werd gehanteerd niet concludent was, omdat de functies in de brief van 8 juli 1999 en in het besluit van 29 september 2000 niet overeenkwamen. Alleen de functies uit het besluit van 29 september 2000 konden als maatstaf dienen. Gezien de medische en arbeidskundige beoordeling concludeerde de Raad dat de weigering van de ZW-uitkering per 11 oktober 1999 terecht was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering naar 25-35% en oordeelt dat de weigering van de ZW-uitkering terecht is.