ECLI:NL:CRVB:2004:AR5854
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herziening WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, werkzaam als supervisor in een tropische tuin, viel in juli 1998 uit wegens rugklachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. In juli 2000 werd deze uitkering verlaagd naar 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid. Appellant stelde dat zijn beperkingen na die datum waren toegenomen en verzocht om herziening.
Na een onderzoek door een verzekeringsarts concludeerde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een wijziging van de arbeidsongeschiktheidsklasse rechtvaardigden. Zowel bezwaar- als beroepsprocedures bij de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep bevestigden dit standpunt.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd voor een toename van beperkingen vóór de datum van het primaire besluit. De medische verslechtering vond pas na die datum plaats en kon daarom niet worden meegewogen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd wegens ontbreken van nieuwe feiten voor herziening WAO-uitkering.