ECLI:NL:CRVB:2004:AR6067
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ongeschiktheid tot arbeid bij ziektewetuitkering wegens clusterhoofdpijn
Appellant werkte sinds 1997 als trainee pensioenadviseur en meldde zich ziek vanwege vermoeidheid, evenwichtsproblemen en clusterhoofdpijn. Na intrekking van zijn WAO-uitkering in 1999 ontving hij een WW-uitkering en werkte parttime. Op 4 mei 2001 meldde hij zich opnieuw ziek wegens clusterhoofdpijn en vermoeidheid.
De verzekeringsarts concludeerde dat er geen duidelijke wijziging in zijn klachten was en dat appellant niet ongeschikt was voor zijn arbeid. Het UWV verklaarde het bezwaar tegen het besluit van afwijzing van ziekengeld ongegrond. De rechtbank sloot zich hierbij aan, verwijzend naar eerdere uitspraken van de Raad.
Appellant voerde aan dat de beoordeling voor de Ziektewet per 4 mei 2001 losstaat van de WAO-beoordeling in 1999 en dat zijn clusterhoofdpijn en slaapstoornissen een nieuwe grond voor ongeschiktheid vormden. De Raad oordeelde echter dat de medische gegevens onvoldoende onderbouwing boden voor ongeschiktheid op die datum. Ook het latere toekennen van een ZW- en WAO-uitkering wegens clusterhoofdpijn veranderde dit oordeel niet. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 4 mei 2001 niet ongeschikt was tot zijn arbeid en geen recht heeft op een Ziektewetuitkering.