ECLI:NL:CRVB:2004:AR6089
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing reductiefactor op mediane loon bij WAO-uitkering
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank Breda die het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering van gedaagde vernietigde. Gedaagde was arbeidsongeschikt verklaard en zijn uitkering werd in de loop der tijd aangepast op basis van medische en arbeidskundige onderzoeken.
De kern van het geschil was of bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit het mediane loon correct was gecorrigeerd met een reductiefactor, omdat gedaagde vanwege medische beperkingen minder uren kon werken dan de maatman. De rechtbank had geoordeeld dat niet was gebleken dat een reductiefactor was toegepast, wat leidde tot vernietiging van het besluit.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank onjuist had aangenomen dat het mediane loon was gemaximeerd en dat de reductiefactor juist was toegepast door vermenigvuldiging van het mediane loon met de verhouding van de medische urenomvang tot de urenomvang van de maatman. Hierdoor verklaarde de Raad het hoger beroep van het Uwv ongegrond en vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten.
De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van de reductiefactor bij de berekening van de WAO-uitkering en bevestigt dat de medische parttimer-regel correct is toegepast in dit geval.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Uwv wordt ongegrond verklaard en het besluit tot vaststelling van de WAO-uitkering blijft in stand.