ECLI:NL:CRVB:2004:AR6365
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Herziening WW-uitkering en terugvordering wegens verlies werknemerschap zelfstandige
Gedaagde ontving vanaf 1992 een WW-uitkering en verrichtte vanaf 1993 werkzaamheden als zelfstandige. Appellant (UWV) herzag de uitkering en besloot tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen en het opleggen van een boete wegens verlies van werknemerschap.
De rechtbank Breda vernietigde het besluit over de terugvordering voor de periode vóór 1996 wegens onvoldoende onderbouwing van het causaal verband en onvoldoende voortvarendheid van appellant. De Raad oordeelt echter dat appellant terecht uitging van verlies van werknemerschap vanaf 1993 en dat gedaagde opzettelijk onjuiste uren heeft opgegeven.
De Raad stelt dat de zesmaands-jurisprudentie niet van toepassing is bij opzet en dat appellant zorgvuldig heeft gehandeld. Ook arbeidsongeschiktheid van gedaagde beïnvloedt het terugvorderingsbedrag niet. De Raad vernietigt het vonnis voor zover het het besluit van 26 februari 2002 betreft en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugvorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover dit besluit betreft.