ECLI:NL:CRVB:2004:AR6556

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5971 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitkering burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken oorlogsgeweld

Eiser, geboren in juli 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, diende een aanvraag in voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Hij baseerde zijn aanvraag op gezondheidsklachten die hij toeschreef aan zijn oorlogservaringen, waaronder het leven in erbarmelijke omstandigheden tijdens de Japanse bezetting en een angstige ervaring tijdens de Bersiap-periode waarbij kogels over hem heen vlogen.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was vastgesteld dat eiser direct was getroffen door oorlogsgeweld zoals vereist in artikel 2, eerste lid, van de Wet. De Raad overwoog dat de ontwrichting en dreiging die eiser en zijn gezin ervoeren onder de Japanse bezetting en de Bersiap-periode algemene oorlogsomstandigheden zijn, waaraan velen blootstonden, en niet kwalificeren als directe, tegen eiser gerichte handelingen.

Eisers beroep richtte zich ook op een zogenoemd vlagincident waarbij zijn familie in 1944 werd vastgehouden en geweld ondervond. Dit incident was echter niet door eiser zelf expliciet genoemd en betrof zijn oudste broer, die reeds als burger-oorlogsslachtoffer was erkend. De Raad oordeelde dat de verweerster niet onzorgvuldig had gehandeld door dit incident niet nader te onderzoeken in relatie tot eiser.

De Raad concludeerde dat er onvoldoende objectief bewijs was dat eiser direct bij beschietingen betrokken was geweest en dat de aanvraag terecht was afgewezen. Hoewel eiser ongetwijfeld leed en angstige tijden heeft doorgemaakt, vereist de Wet een specifieke omschrijving van oorlogsgeweld die in dit geval niet was aangetoond. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag als burger-oorlogsslachtoffer blijft in stand.

Uitspraak

03/5971 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 23 oktober 2003, kenmerk JZ/A60/2003, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht, als gemachtigde van eiser beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, is nader uiteengezet waarom eiser zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.
Door verweerster is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 oktober 2004. Aldaar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Lamphen voornoemd als zijn raadsvrouw. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren in juli 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in januari 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en voorzieningen.
Eiser heeft zijn aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten, die naar zijn mening het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië. Tijdens de Japanse bezetting leefde hij met zijn familie weliswaar buiten het kamp, maar wel in erbarmelijke omstandigheden, mede doordat zijn vader, die was weggevoerd en naar later bleek in 1943 was omgekomen, geen inkomen inbracht. Zijn moeder was altijd bang en bracht die angst op hem over. Ook tijdens de Bersiap-periode bleef zijn moeder bang. Zelf had hij in die tijd een angstige ervaring, toen de kogels over hem heenvlogen, terwijl hij in een greppel lag.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 24 juni 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat eiser niet is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet. Volgens verweerster is eisers directe betrokkenheid bij een beschieting tijdens de Bersiap-periode niet komen vast te staan en kunnen de overige gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt niet onder de werking van de Wet worden gebracht.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan stand houden.
Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt - voorzover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van met krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden dan wel tengevolge van tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de bezettende macht of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.
Uit de gedingstukken is de Raad gebleken dat de aanvraag van eiser vooral steunt op de ontwrichting van het (gezins)leven en de dreiging die het gezin waartoe eiser behoorde heeft ervaren tengevolge van de Japanse bezetting en de ongeregeldheden tijdens de Bersiap-periode. Naar vaste jurisprudentie van de Raad gaat het hier evenwel om algemene oorlogsomstandigheden, waaraan in meer of mindere mate eenieder heeft blootgestaan en die niet zijn aan te merken als direct tegen de aanvrager gerichte handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.
De door eiser naar voren gebrachte gebeurtenis die hem tijdens de Bersiap-periode is overkomen heeft in de voorhanden stukken onvoldoende objectieve bevestiging gevonden, zodat verweerster terecht heeft overwogen dat niet is komen vast te staan dat eiser direct bij beschietingen betrokken is geweest.
Namens eiser is in beroep aangevoerd dat verweerster onvoldoende onderzoek heeft verricht naar het door zijn oudste broer bij diens aanvraag om een uitkering op grond van de Wet beschreven zogeheten vlagincident, waarbij eisers familie in 1944, tijdens de Japanse bezetting, bloot stond aan geweld en enkele dagen is vastgehouden in een kerkgebouw. Volgens eiser had verweerster dit incident nader dienen uit te zoeken, nu hij in bezwaar heeft verwezen naar de sociale rapportage die omtrent zijn broer was opgemaakt.
De Raad overweegt dat die broer vanwege een geheel andere gebeurtenis, waarbij eiser niet betrokken was, als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is erkend. Gelet hierop en in aanmerkingen genomen de verklaringen van de moeder en een andere broer van eiser, heeft verweerster niet onzorgvuldig gehandeld door bij de behandeling van de aanvraag van eiser verder geen onderzoek te doen naar het, overigens door eiser zelf niet eerder expliciet genoemde, vlagincident.
Ook uit de overige gegevens blijkt niet dat verweerster zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet blootgesteld is geweest aan oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Daarmee is zeker niet miskend dat eiser tijdens de oorlogsjaren en de daarop volgende Bersiap-periode leed is aangedaan en dat hij angstige tijden heeft meegemaakt, maar de erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is gebonden aan specifiek omschreven oorlogservaringen.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dat besluit in rechte stand houdt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.
HD
2.11