ECLI:NL:CRVB:2004:AR6824
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en weigering Ziektewetuitkering na herbeoordeling
Appellante, voormalig productiemedewerkster, heeft meerdere keren een herziening van haar WAO-uitkering ondergaan vanwege knie-, heup- en enkelklachten, met wisselende percentages arbeidsongeschiktheid. Na een vijfdejaarsherbeoordeling in 2001 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 25 tot 35%, wat zij betwistte vanwege vermeende onderschatting van haar beperkingen en onzorgvuldigheid in het medisch onderzoek.
De Raad oordeelde dat hoewel de verzekeringsartsen aanvankelijk geen informatie hadden opgevraagd bij behandelende artsen, deze informatie later alsnog beschikbaar kwam, waardoor het onderzoek als voldoende zorgvuldig werd beoordeeld. De functies die appellante zou kunnen vervullen, werden passend geacht bij haar beperkingen.
Ten aanzien van de weigering van de Ziektewetuitkering per 16 oktober 2002 oordeelde de Raad dat de verzekeringsarts beschikte over actuele medische gegevens en dat de bezwaarbeoordeling de conclusies bevestigde. Het hoger beroep werd verworpen en de verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de besluiten tot vaststelling van arbeidsongeschiktheid en weigering van de Ziektewetuitkering worden bevestigd.