ECLI:NL:CRVB:2004:AR6828
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en toekenning WAO-uitkering
Appellant, voormalig management-trainee, liep in 1999 diverse letsels op, waaronder nekletsel en ribletsel, die leidden tot klachten als duizeligheid, concentratiestoornissen en vermoeidheid. Na medisch en arbeidskundig onderzoek werd zijn arbeidsongeschiktheid per 11 mei 2001 vastgesteld op 25 tot 35%, later bijgesteld naar 35 tot 45%.
Appellant stelde zich op het standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt was vanwege een chronisch hyperventilatiesyndroom, ondersteund door aanvullende medische verklaringen. De Raad overwoog echter dat de medische informatie die betrekking had op 2002 niet relevant was voor de beoordeling van de situatie op 11 mei 2001. De beschikbare medische en arbeidskundige gegevens rechtvaardigden de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.
Het hoger beroep werd mede geacht te zijn gericht tegen het nieuwe besluit van 19 mei 2003, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid werd verhoogd. Omdat het eerdere standpunt niet langer werd gehandhaafd en appellant geen belang had bij een oordeel over het oude besluit, werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad veroordeelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten en verklaarde het beroep tegen het besluit van 19 mei 2003 ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%.