ECLI:NL:CRVB:2004:AR6842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet
Appellante, voormalig storemanager, werd op 27 februari 2001 op staande voet ontslagen omdat zij haar werk niet hervatte ondanks dat zij door de Arbo-arts arbeidsgeschikt was verklaard. Zij meldde zich niet ziek en informeerde haar werkgever niet over haar afwezigheid. Een second opinion bevestigde achteraf haar arbeidsgeschiktheid per 26 februari 2001.
De werkgever weigerde haar na 19 maart 2001 weer aan het werk te stellen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde daarop de WW-uitkering blijvend volledig wegens verwijtbare werkloosheid, een besluit dat door de rechtbank werd bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante zich zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat zij de gevolgen van haar ontslag op staande voet had moeten voorzien. Er zijn geen omstandigheden die wijzen op verminderde verwijtbaarheid. Daarom blijft de weigering van de WW-uitkering in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende volledige weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet.