ECLI:NL:CRVB:2004:AR6845
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 1994 een nabestaandenuitkering die in 1996 werd omgezet naar de Algemene nabestaandenwet (Anw). Gedaagde stelde op basis van onderzoek vast dat appellante vanaf 1996 een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner, hetgeen niet was gemeld. Hierdoor werd de uitkering per 1 januari 1998 herzien en verlaagd.
Appellante voerde aan dat sprake was van een commerciële huurrelatie, maar dit werd verworpen omdat er geen huurcontract of betalingsbewijzen waren en de verklaringen over huurbedragen verschilden. De Raad oordeelde dat er sprake was van wederzijdse verzorging en financiële verstrengeling, waardoor de gezamenlijke huishouding werd vastgesteld.
De Raad achtte het onderzoek en de verklaringen, waaronder die van appellante zelf, betrouwbaar en vond geen reden om het herzieningsbesluit te vernietigen. Er waren geen dringende redenen om van herziening af te zien. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en appellante werd niet in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding en verlaagt de uitkering met ingang van 1 januari 1998.