ECLI:NL:CRVB:2004:AR6857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- H.J. de Mooij
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar gedaagde stelde na onderzoek vast dat zij sinds juni 1999 een gezamenlijke huishouding voerde met appellant, hetgeen gevolgen had voor haar recht op bijstand. Gedaagde trok de uitkering in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank oordeelde dat de intrekking en terugvordering terecht waren.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelde dat gedaagde terecht de uitkering introk en de voorschotten terugvorderde. Het verweer dat het verhoor niet correct was verlopen en dat sprake was van ontoelaatbare druk werd verworpen. Ook werd geoordeeld dat het bezwaar tegen de mededeling van de schuld niet-ontvankelijk was.
De Raad benadrukte dat een besluit tot terugvordering reparatoir is en geen straf oplegt. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De Raad wees op de mogelijkheid van cassatieberoep tegen de uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en verklaart het hoger beroep ongegrond.