ECLI:NL:CRVB:2004:AR6906
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering IOAW-uitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving vanaf 1990 een IOAW-uitkering en aanvullende bijstand. Naar aanleiding van een tip startte het Samenwerkingsverband Sociale Recherche een onderzoek naar mogelijke onrechtmatigheden. Uit het onderzoek bleek dat appellante vanaf 1996 tot 2001 paardrijlessen gaf en een paard van een kennis bij haar op stal had staan, zonder dit te melden.
Gedaagde trok daarop de uitkering in vanaf september 1995 en vorderde de betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad oordeelt dat onvoldoende bewijs bestaat voor werkzaamheden vanaf september 1995. Wel is vastgesteld dat appellante vanaf 1996 tot 2001 activiteiten ontplooide zonder melding, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormt.
De Raad vernietigt daarom het besluit en de uitspraak voor zover deze betrekking hebben op de gehele periode, maar handhaaft de intrekking voor 1997 en begin 1999 vanwege ontbrekende administratie. Gedaagde wordt verplicht een nieuw besluit te nemen en veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van de IOAW-uitkering wordt deels vernietigd en deels gehandhaafd, met een verplichting tot nieuw besluit en vergoeding van proceskosten.