ECLI:NL:CRVB:2004:AR6907
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuizing naar aanleunwoning wegens voorliggende voorziening
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van verhuizing naar een aanleunwoning, stellende dat hij in zijn huidige woning vanwege ziekte belemmeringen ondervindt en zich onveilig voelt. Het college van burgemeester en wethouders van Heerlen wees deze aanvraag af wegens het bestaan van een voorliggende voorziening op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg).
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het college ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op basis van een onherroepelijke uitspraak van de rechtbank Maastricht geen sprake was van beperkingen die het normale gebruik van de woning belemmerden, zodat geen noodzaak bestond voor financiële tegemoetkoming op grond van de Wvg.
De Raad stelde vast dat artikel 17, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) het recht op bijzondere bijstand uitsluit voor kosten die onder een voorliggende voorziening vallen. Ook ontbraken zeer dringende redenen om hiervan af te wijken. De stelling van appellant dat zijn woonomgeving onveilig zou zijn, was onvoldoende concreet onderbouwd. Daarom bevestigde de Raad het eerdere oordeel en wees de bijzondere bijstand af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand wegens het bestaan van een voorliggende voorziening en het ontbreken van dringende redenen.