ECLI:NL:CRVB:2004:AR6912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.C.F. Talman
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Onterecht beëindigen tijdelijke aanstelling; door opeenvolging vaste aanstelling
Gedaagde was aanvankelijk tijdelijk aangesteld bij het Amsterdamse stadsdeel en werd later via een plaatsingsovereenkomst bij de gemeente Noordoostpolder tewerkgesteld. Vervolgens kreeg hij een tijdelijke aanstelling bij de gemeente Noordoostpolder die meerdere malen werd verlengd. Appellant besloot het dienstverband per 1 april 2002 van rechtswege te beëindigen, maar gedaagde stelde dat door de opeenvolging van tijdelijke aanstellingen sprake was van een vaste aanstelling.
De rechtbank oordeelde dat gedaagde per 1 juli 2001 een vaste aanstelling had gekregen op grond van de toepasselijke Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Appellant ging hiertegen in hoger beroep. De Raad bevestigde dat de plaatsingsovereenkomst en de feitelijke verlengingen als tijdelijke aanstellingen kwalificeren, zodat de opeenvolging van meer dan drie tijdelijke aanstellingen met korte tussenpozen leidde tot een vaste aanstelling.
Hierdoor was het besluit van appellant om het dienstverband per 1 april 2002 te beëindigen onterecht en vernietigde de Raad het besluit van 13 augustus 2002. Tevens werd appellant veroordeeld tot betaling van proceskosten aan gedaagde.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat door opeenvolgende tijdelijke aanstellingen een vaste aanstelling is ontstaan en vernietigt het besluit tot beëindiging van het dienstverband.