ECLI:NL:CRVB:2004:AR6955
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige afwijzing toeslagaanvraag met terugwerkende kracht door UWV
Appellante, houdster van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, vroeg via haar gemachtigde toeslag toe te kennen over het jaar 1998. Het UWV wees de aanvraag af omdat deze niet binnen de wettelijke termijn van één jaar was ingediend. Appellante stelde dat de aanvraagdatum eerder lag, namelijk de brief van haar gemachtigde van 18 december 1998, en dat het UWV had moeten navragen voordat het de aanvraag als ingetrokken beschouwde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door geen navraag te doen bij de gemachtigde. De Raad stelde vast dat de brief van 18 december 1998 als aanvraag moet worden aangemerkt en dat de latere weigering onterecht was.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt verplicht een nieuw besluit te nemen waarbij de toeslag over 1998 wordt toegekend.