ECLI:NL:CRVB:2004:AR7045
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens onrechtmatige beëindiging arbeidsovereenkomst zonder einddatum
Appellant trad op 1 mei 2000 in dienst bij een restaurant zonder dat in de arbeidsovereenkomst een einddatum was opgenomen. Op 23 november 2000 vroeg hij een WW-uitkering aan wegens ontslag per 1 november 2000. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag af omdat de arbeidsovereenkomst volgens hen een overeenkomst voor onbepaalde tijd was, waarvoor voorafgaande opzegging vereist is.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad overwoog dat partijen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst niet duidelijk hadden vastgesteld wanneer deze zou eindigen, waardoor het contract als onbepaalde tijd moest worden beschouwd. Omdat de werkgever niet op juiste wijze had opgezegd, was de beëindiging van de dienstbetrekking niet rechtmatig.
De Raad concludeerde dat appellant daardoor recht had op onverminderde doorbetaling van zijn loon en niet als werkloos kon worden beschouwd volgens artikel 16 van Pro de Werkloosheidswet. Er was geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de WW-uitkering wordt bevestigd omdat de arbeidsovereenkomst niet rechtmatig is beëindigd.