ECLI:NL:CRVB:2004:AR7218
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en WAO-schatting in hoger beroep
Appellant, die sinds 1981 arbeidsongeschikt is, voerde hoger beroep tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) over de hoogte van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De Raad beoordeelde of de besluiten, die betrekking hebben op verschillende tijdstippen tussen 1996 en 2001, op juiste medische en arbeidskundige gronden berusten.
De Raad stelde vast dat de besluiten over de aanspraken op AAW-uitkering per 1 april 1996 en WAZ-uitkering per 1 maart 1999 niet-ontvankelijk zijn omdat deze besluiten geen nieuwe rechtsgevolgen bevatten en reeds in eerdere procedures zijn beoordeeld. Voor de besluiten over de WAO-uitkering per 1 april 1996, 1 maart 1999 en 1 februari 2001 werd het hoger beroep inhoudelijk behandeld.
De medische rapportages en arbeidsdeskundige onderzoeken bevestigen dat de mate van arbeidsongeschiktheid correct is vastgesteld, waarbij rekening is gehouden met het belastbaarheidspatroon en het maatmaninkomen. Knieklachten die sinds 1999 zijn ontstaan, worden als een andere oorzaak beschouwd dan waarvoor de WAO-uitkering wordt ontvangen. De Raad oordeelt dat de besluiten op juiste gronden zijn genomen en verklaart het hoger beroep voor een deel ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep is deels niet-ontvankelijk verklaard en de besluiten over de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn bevestigd.